7 Hardnekkige neuromythen in het onderwijs (en waarom we hier vanaf moeten)

In het onderwijs is sprake van verschillende hardnekkige neuromythen. Maar welke van deze mythen zijn waar? En welke niet? In dit artikel bespreek ik de zin en onzin van 7 veelvoorkomende mythen.

Mythe 1: We gebruiken slecht 10% van ons brein

Deze mythe blijkt hardnekkig en dat is op zich ook niet zo vreemd. Als we maar 10 procent van onze hersencapaciteit gebruiken betekent dit dat er nog heel veel ruimte is om het gebruik van de hersenen te verbeteren en wie wil dat nou niet? Het wetenschappelijke bewijs voor deze mythe is echter niet bestaand. Hersenscans tonen aan dat er altijd en overal in het brein activiteit is. Het ene gebied is alleen actiever dan het andere bij bepaalde taken. Op scans lijken de gebieden die relatief gezien minder actief zijn zwart. Dit geeft de indruk dat deze gebieden geen enkele activiteit laten zien. Niets is minder waar, er bestaan geen ‘zwarte gaten’ in ons brein en er zijn geen gebieden die nooit actief zijn in reactie op bepaalde taken.

Mythe 2: Iedereen heeft een dominante linker- of rechterhersenhelft

In deze mythe wordt er vanuit gegaan dat er grote verschillen bestaan tussen de linker- en de rechterhersenhelft. Links zou vooral domineren in taal, logica en analytisch denkvermogen. Rechts zou zich bezighouden met beelden verwerken en holistisch denken. Wat klopt is dat één van de twee hersenhelften bij bepaalde taken actiever is. Dit wordt ook wel ‘laterale specialisatie’ genoemd: specialistische deelfuncties worden uitgevoerd in specifieke gebieden in één van de hersenhelften. Echter is het zo dat bij de meer complexe functies zoals leren en denken de linker- en rechterhersenhelft altijd samenwerken en ze beiden actief zijn. Het ‘corpus callosum’ vormt een brug van hersencellen en verbindingen tussen de twee hersenhelften. Deze is zo sterk dat er functioneel gezien geen sprake is van een tweedeling. Er is een continue dialoog via deze brug.

Mythe 3: Geheugen is een opslagruimte in het brein

Het idee bestaat dat het geheugen een plek is in het brein waar informatie opgeslagen staat. Een veelgebruikte metafoor hiervoor is de ‘harde schijf’. Maar het geheugen is geen vaste opslagruimte in de hersenen, geheugen is een proces. Als er geleerd wordt, dan worden er neurale netwerken aangelegd in het brein. Als zo’n netwerk sterk en structureel is gevormd, dan is er sprake van geheugen. Om deze neurale netwerken aan te leggen en te versterken wordt gebruikt gemaakt van verschillende breinprincipes zoals herhaling, oefening en emotie.

Mythe 4: Je kunt te oud zijn om te leren

Deze mythe is niet waar. Onze hersenen zijn plastisch, wat wil zeggen dat ons brein wordt veranderd door ervaringen, emoties en gedachten. Nieuwe verbindingen worden gevormd en oude verbindingen worden verzwakt als deze niet meer worden gebruikt. Ook op latere leeftijd blijft dit proces gaande. De plasticiteit neemt wel af naarmate een hogere leeftijd wordt bereikt. Ingewikkelde mentale bewerkingen uitvoeren of nieuwe dingen leren worden daarom wel lastiger met de jaren. Dit komt door een afname van myeline. Deze stof zorgt ervoor dat boodschappen snel kunnen worden doorgegeven aan andere hersencellen. Hoe minder myeline, hoe minder snelheid in het doorgeven. Deze afname in plasticiteit wordt goedgemaakt door de veelheid aan ervaringen die oudere mensen hebben opgedaan. Wijsheid komt daarom echt met de jaren!

Mythe 5: Multitasken is mogelijk

Dit is een mythe. Onze hersenen kunnen zich maar op één ding tegelijk bewust focussen. Wel kunnen we onze aandacht snel verleggen. Dit verleggen van de aandacht kost tijd, tienden van een seconde per keer. Daarnaast leidt vaak wisselen van focus ook tot het maken van meer fouten. Het is daarom goed om bij het leren zo min mogelijk afgeleid te worden. Hoe meer aandacht ons brein geeft aan een bepaalde taak, hoe groter de kans dat deze goed wordt verwerkt en onthouden.

Mythe 6: Een fotografisch geheugen bestaat

Een echt fotografisch geheugen is een neurologische zeldzaamheid. Je zou gek worden als je alles onthoudt van wat je zintuiglijk binnen krijgt! De mensen die dit inderdaad kunnen moeten zich een groot deel van de dag afzonderen in een donkere kamer. Het hebben van een heel goed geheugen zonder neurologische zeldzaamheid komt wel voor. De mensen die dit hebben kunnen zogenaamde ‘mnemotechnieken’ zeer goed toepassen. Dit zijn technieken om zaken goed te kunnen onthouden zoals associëren, rijm en ezelsbruggetjes. Met veel oefening zou iedereen deze technieken kunnen leren. 

Mythe 7: Voorkeur voor leerstijl bestaat

Er zijn ontzettend veel verschillende leerstijlen en deze zijn in het onderwijs erg populair. Leerstijltheorieën gaan er vanuit dat mensen voorkeur hebben in de wijze van informatieverwerking en dat mensen beter kunnen leren als iets volgens hun voorkeur wordt aangeboden. Dit is echter niet bewezen. Wat wel bewezen is, is dat er sprake is van voorkeur voor informatieverwerking in woord of beeld. Op scholen wordt nog steeds veel informatie aangeboden in woord, waardoor kinderen die hier een voorkeur voor hebben een kleine voorsprong hebben op andere kinderen. Als leerkracht is het dus belangrijk om je hiervan bewust te zijn en veel af te wisselen in aanbod en het liefst veel zintuigen te combineren!

De neuromythen zoals hierboven beschreven worden door velen geloofd en in sommige gevallen is dat terecht. Bij de meesten is het echter klinkklare onzin. Om goed les te kunnen geven is het van belang om inzicht te hebben in hoe de hersenen echt werken en op welke manier je dit kunt benutten om leerlingen optimaal te laten profiteren van jouw lessen.



Ben je naar aanleiding van dit artikel nieuwsgierig geworden naar de werking van de hersenen en hoe je dit kunt inzetten in jouw lessen? In de training breinprincipes neem ik je verder mee in de wereld van het brein.